Aboudramane
 ‘Le Casque Case’ 1992. Hout; klei; verf.
25 cm x 42,5 cm
Aboudramane (Côte d’Ivoire, 1961) vertrok toen hij tweeëntwintig
was naar Parijs om er als meubelmaker te gaan werken.
De Zweedse schilder Claesson, bij wie hij een baan
kreeg, motiveerde hem om zich op vrij werk te gaan toeleggen.
Het eerste beeld dat bij hem op kwam - samengesteld
uit lucifers, aarde, doosjes en veren - was een fantasie-Afrikaans
huisje.
Het was het begin van een serie steeds professioneler uitgevoerde
miniatuurhuisjes die Aboudramane ‘sculpturesmemoires’
noemt. Daarmee verwijst hij naar de uitbeelding
van een herinnering die gemengd is met nostalgie, maar daarin
niet blijft hangen. Hij kopieert geen bestaande architectuur,
zijn huisjes zijn geen modellen van specifieke gebouwen in
Afrika, maar van imaginaire architectuur. De herinnering
vervormt en creëert een nieuw beeld: de som van waarneming,
beleving en verlangen.
De ‘heilige huisjes’ van Aboudramane zijn van een formaat
dat in elke huiskamer past. In een geseculariseerde maatschappij
biedt hij minitempeltjes aan, producten van fantasie
en herinnering. Deze gebouwtjes hebben ontegenzeggelijk
een Afrikaans karakter, maar bieden tevens ruimte voor
eigen associaties.
Eén van de huisjes is een wit huisje met op het dak een kruis.
Het kruis is gekanteld, de positie ervan is niet stabiel. Uit het
dak steekt een grillige, blanke tak. In het gebouwtje (Aboudramanes
huisjes zijn niet leeg!) bevindt zich een houten,
ritueel aandoend object met takjes en bedekt met veertjes.
De christelijke kerk heeft in dit beeld geen dominante positie.
Hij maakt een eclectisch gebruik van elementen uit kerken,
moskeeën en wereldlijke architectuur in islamitische en
Frans-koloniale stijl. Het resultaat is een half-fictieve wereld
met een eigen vanzelfsprekendheid. Het verhaal van Aboudramane
is, hoe persoonlijk ook, voor iedereen herkenbaar.
TEKST
Afrika museum, Berg en Dal |
|