Esko Männikkö
Collectie De Pont. Esko Männikkö, Pudasjärvi, Finland 1959 Sodankylä, 1990. 53,5 x 46,5 cm
Esko Männikkö (Pudasjärvi, Finland, 1959) portretteert de
inwoners van het afgelegen gebied tussen de Laplandse bossen
en het meer landelijke Ostrobothnië, in het noorden van
Finland. De streek is spaarzaam bevolkt, veel inwoners zijn
vertrokken naar de stad. De achterblijvers leven in een
omgeving waarin ze op zichzelf zijn aangewezen. Het zijn
veelal alleenstaande mannen: jagers, vissers, houthakkers
of werklozen, die in vaak primitieve en geïmproviseerde
behuizingen hun onderkomen hebben. Het publiek in Helsinki,
dat als eerste van het werk van Männikkö kon kennisnemen,
wilde de foto’s graag zien als de historische documentatie
van een voorbije tijd. Männikkö doorbreekt dat beeld:
hij fotografeert met volstrekte vanzelfsprekendheid en met
voelbaar respect dingen en mensen ‘zoals ze zijn’.
In formele zin worden Männikkö’s foto’s, door de uitdrukkingskracht
van de pose en de uitgekiendheid van de belichting
en de kleurverdeling, tot beelden waarin alle elementen
even belangrijk zijn. Maar die gelijkwaardige behandeling
van menselijke figuur, objecten en omgeving lijkt bij hem
geen stilering en zijn handelen wordt niet als ingreep ervaren.
Männikkö slaagt erin een heel precieze balans tussen
afstand en betrokkenheid te bewaren: de indruk van ongekunsteldheid
vindt zijn basis in een groot wederzijds vertrouwen
tussen de fotograaf en degenen die voor zijn camera
geplaatst zijn.
Männikkö ‘weet’ wat hij fotografeert. Hij is opgegroeid in
deze streek. Hij vist, jaagt of drinkt met de mensen die hij
vastlegt, en pas na dagen of weken maakt hij met zijn grootbeeldcamera
enkele foto’s. We zien hen meestal binnenshuis,
zittend, liggend of kijkend naar de tv. De voorkeur voor zulke
momenten is opvallend. Het is moeilijk te zeggen of het gaat
om een spaarzaam ogenblik van rust of juist om een werkeloosheid
die hun leven kenmerkt. Maar het laat in ieder geval
deze mensen zien in hun zijn, eerder dan in hun functioneren.
Op de een of andere manier zouden we graag méér over deze
mensen willen weten, maar de foto’s van Männikkö bevatten
ondanks hun openheid slechts summiere informatie. Ze pretenderen
niet te weten wat deze mannen bezighoudt of drijft.
Kleding en gereedschap verwijzen soms naar bezigheden
buiten. Toch zijn de foto’s niet sentimenteel of nostalgisch,
bijvoorbeeld over het leven in de wilde natuur; en ook niet
dramatisch of sensationeel, over eenzaamheid en sociale
omstandigheden of als bericht aan de samenleving over verre
en vreemde zaken. Wel is een afwezigheid van sociale controle
in deze afgelegen gebieden voelbaar in de volstrekte
privé-sfeer van de doorgaans karig gemeubileerde interieurs.
Noties als smaak of stijl lijken hier nauwelijks van betekenis;
alles staat en ligt op die persoonlijke manier die zonder bijgedachten
en als toevallig ontstaat.
Männikkö omlijst zijn werken met oude, op de rommelmarkt
opgeduikelde lijstjes. Hoewel hij zelf eens verklaarde dat dit
‘het makkelijker maakt ze op te hangen’, worden de foto’s er
sterk door beïnvloed. Ze worden opdringeriger, als decoratieve
objecten die teveel de aandacht trekken. En vooral leggen
de lijsten een directe verbinding met de wereld die Männikkö
fotografeert: in de interieurs zijn ook zulke lijsten te zien,
rond platen en foto’s die de wand versieren. Zo wordt de
afstand tot de wereld die hij weergeeft zo klein mogelijk, alsof
hij par tij kiest en v andaaruit de ‘officiële’ idee van kunst
met ironie beziet.
Regionale gebondenheid en internationaal zelfbewustzijn
gaan in het werk van Männikkö samen. De foto’s ontlenen
kracht aan de authenticiteit van hun onderwerp, maar staan
niet buiten ontwikkelingen in de kunst. In de Düsseldorfse
school, bijvoorbeeld in de foto’s van Thomas Struth, zien we
een vergelijkbare manier van kijken: een overall blik die alle
elementen als het ware gelijkschakelt. En ook daar zijn onder
een ogenschijnlijk formele blik latent politieke, sociale of psychologische
motieven aanwezig. Een opvallend verschil is
echter de schaal. In tegenstelling tot de Duitse fotografen, die
doorgaans met grote formaten werken, benadert Männikkö
de monumentaliteit van het beeld niet vanuit de schaal. Bij
hem is het juist de intimiteit van formaat, kader en kleur die
de blik scherpt voor alle unieke details van de omgeving. En
anders dan in hun methodische, meer seriematige manier van
werken, staat bij Männikkö iedere foto evenzeer op zichzelf
als het bestaan van de geportretteerde individuen dat doet.
TEKST
Stichting Museum de Pont, Tilburg |
|