EEN PROJECT VAN
CIRCUS COLOURFUL CITY
& MUSEUM HET VALKHOF
 
Meewerkende kunstenaars
 
Yaquelín Abdalá   /  Marjoleine Boonstra   /  René Brouns   /  Diederik Grootjans   /  Harmen de Hoop   /  Murat Sahinler   /  Keiko Sato   /  Igor Sevcuk   /  Bert Sissingh   /  Nur Tarim   /  Marieke Vriend   /  Inette van Wijck   /  Lee Eun Young   /  Aboudramane   /  Willie Bester   /  Romouald Hazoumé   /  Esko Männikkö   /  Moké   /  Mohammed El Morabet   /  Santiago Rodríguez Olazábal
Esko Männikkö
 
Collectie De Pont. Esko Männikkö, Pudasjärvi, Finland 1959 Sodankylä, 1990. 53,5 x 46,5 cm
 
Esko Männikkö (Pudasjärvi, Finland, 1959) portretteert de inwoners van het afgelegen gebied tussen de Laplandse bossen en het meer landelijke Ostrobothnië, in het noorden van Finland. De streek is spaarzaam bevolkt, veel inwoners zijn vertrokken naar de stad. De achterblijvers leven in een omgeving waarin ze op zichzelf zijn aangewezen. Het zijn veelal alleenstaande mannen: jagers, vissers, houthakkers of werklozen, die in vaak primitieve en geïmproviseerde behuizingen hun onderkomen hebben. Het publiek in Helsinki, dat als eerste van het werk van Männikkö kon kennisnemen, wilde de foto’s graag zien als de historische documentatie van een voorbije tijd. Männikkö doorbreekt dat beeld: hij fotografeert met volstrekte vanzelfsprekendheid en met voelbaar respect dingen en mensen ‘zoals ze zijn’.
 
In formele zin worden Männikkö’s foto’s, door de uitdrukkingskracht van de pose en de uitgekiendheid van de belichting en de kleurverdeling, tot beelden waarin alle elementen even belangrijk zijn. Maar die gelijkwaardige behandeling van menselijke figuur, objecten en omgeving lijkt bij hem geen stilering en zijn handelen wordt niet als ingreep ervaren. Männikkö slaagt erin een heel precieze balans tussen afstand en betrokkenheid te bewaren: de indruk van ongekunsteldheid vindt zijn basis in een groot wederzijds vertrouwen tussen de fotograaf en degenen die voor zijn camera geplaatst zijn.
 
Männikkö ‘weet’ wat hij fotografeert. Hij is opgegroeid in deze streek. Hij vist, jaagt of drinkt met de mensen die hij vastlegt, en pas na dagen of weken maakt hij met zijn grootbeeldcamera enkele foto’s. We zien hen meestal binnenshuis, zittend, liggend of kijkend naar de tv. De voorkeur voor zulke momenten is opvallend. Het is moeilijk te zeggen of het gaat om een spaarzaam ogenblik van rust of juist om een werkeloosheid die hun leven kenmerkt. Maar het laat in ieder geval deze mensen zien in hun zijn, eerder dan in hun functioneren.
 
Op de een of andere manier zouden we graag méér over deze mensen willen weten, maar de foto’s van Männikkö bevatten ondanks hun openheid slechts summiere informatie. Ze pretenderen niet te weten wat deze mannen bezighoudt of drijft. Kleding en gereedschap verwijzen soms naar bezigheden buiten. Toch zijn de foto’s niet sentimenteel of nostalgisch, bijvoorbeeld over het leven in de wilde natuur; en ook niet dramatisch of sensationeel, over eenzaamheid en sociale omstandigheden of als bericht aan de samenleving over verre en vreemde zaken. Wel is een afwezigheid van sociale controle in deze afgelegen gebieden voelbaar in de volstrekte privé-sfeer van de doorgaans karig gemeubileerde interieurs. Noties als smaak of stijl lijken hier nauwelijks van betekenis; alles staat en ligt op die persoonlijke manier die zonder bijgedachten en als toevallig ontstaat.
 
Männikkö omlijst zijn werken met oude, op de rommelmarkt opgeduikelde lijstjes. Hoewel hij zelf eens verklaarde dat dit ‘het makkelijker maakt ze op te hangen’, worden de foto’s er sterk door beïnvloed. Ze worden opdringeriger, als decoratieve objecten die teveel de aandacht trekken. En vooral leggen de lijsten een directe verbinding met de wereld die Männikkö fotografeert: in de interieurs zijn ook zulke lijsten te zien, rond platen en foto’s die de wand versieren. Zo wordt de afstand tot de wereld die hij weergeeft zo klein mogelijk, alsof hij par tij kiest en v andaaruit de ‘officiële’ idee van kunst met ironie beziet.
 
Regionale gebondenheid en internationaal zelfbewustzijn gaan in het werk van Männikkö samen. De foto’s ontlenen kracht aan de authenticiteit van hun onderwerp, maar staan niet buiten ontwikkelingen in de kunst. In de Düsseldorfse school, bijvoorbeeld in de foto’s van Thomas Struth, zien we een vergelijkbare manier van kijken: een overall blik die alle elementen als het ware gelijkschakelt. En ook daar zijn onder een ogenschijnlijk formele blik latent politieke, sociale of psychologische motieven aanwezig. Een opvallend verschil is echter de schaal. In tegenstelling tot de Duitse fotografen, die doorgaans met grote formaten werken, benadert Männikkö de monumentaliteit van het beeld niet vanuit de schaal. Bij hem is het juist de intimiteit van formaat, kader en kleur die de blik scherpt voor alle unieke details van de omgeving. En anders dan in hun methodische, meer seriematige manier van werken, staat bij Männikkö iedere foto evenzeer op zichzelf als het bestaan van de geportretteerde individuen dat doet.
 
 
 
TEKST
Stichting Museum de Pont, Tilburg